Conjugation of overroepen
/ˌoː.vərˈru.pə(n)/voltooid deelwoord van overroepen Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overroep |
| jij / je | overroept |
| hij / zij / het | overroept |
| wij / we | overroepen |
| jullie | overroepen |
| zij / ze | overroepen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | overriep |
| jij / je | overriep |
| hij / zij / het | overriep |
| wij / we | overriepen |
| jullie | overriepen |
| zij / ze | overriepen |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overroepe |
| jij / je | overroepe |
| hij / zij / het | overroepe |
| wij / we | overroepen |
| jullie | overroepen |
| zij / ze | overroepen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overriepe |
| jij / je | overriepe |
| hij / zij / het | overriepe |
| wij / we | overriepen |
| jullie | overriepen |
| zij / ze | overriepen |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overroep |
| jullie (archaïsch) | overroept |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overroepen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overroepend |
Voltooid deelwoord
| — | overroepen |