Conjugation of overlijden
/ˌoː.vərˈlɛi̯.də(n)/ophouden met leven, meestal gezegd van mensen (oorspronkelijk als eufemisme) Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overlijd |
| jij / je | overlijdt |
| hij / zij / het | overlijdt |
| wij / we | overlijden |
| jullie | overlijden |
| zij / ze | overlijden |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | overleed |
| jij / je | overleed |
| hij / zij / het | overleed |
| wij / we | overleden |
| jullie | overleden |
| zij / ze | overleden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overlijde |
| jij / je | overlijde |
| hij / zij / het | overlijde |
| wij / we | overlijden |
| jullie | overlijden |
| zij / ze | overlijden |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overlede |
| jij / je | overlede |
| hij / zij / het | overlede |
| wij / we | overleden |
| jullie | overleden |
| zij / ze | overleden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overlijd |
| jullie (archaïsch) | overlijdt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overlijden |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overlijdend |
Voltooid deelwoord
| — | overleden |