Conjugation of overleggen
/ˌoːvərˈlɛɣə(n)/ter inzage geven van documenten aan bevoegde personen Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overleg |
| jij / je | overlegt |
| hij / zij / het | overlegt |
| wij / we | overleggen |
| jullie | overleggen |
| zij / ze | overleggen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | overlegde |
| jij / je | overlegde |
| hij / zij / het | overlegde |
| wij / we | overlegden |
| jullie | overlegden |
| zij / ze | overlegden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overlegge |
| jij / je | overlegge |
| hij / zij / het | overlegge |
| wij / we | overleggen |
| jullie | overleggen |
| zij / ze | overleggen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overlegde |
| jij / je | overlegde |
| hij / zij / het | overlegde |
| wij / we | overlegden |
| jullie | overlegden |
| zij / ze | overlegden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overleg |
| jullie (archaïsch) | overlegt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overleggen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overleggend |
Voltooid deelwoord
| — | overlegd |