Conjugation of overleven
/ˌoː.vərˈleː.və(n)/in leven blijven ondanks levensbedreigende omstandigheden of gebeurtenissen Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overleef |
| jij / je | overleeft |
| hij / zij / het | overleeft |
| wij / we | overleven |
| jullie | overleven |
| zij / ze | overleven |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | overleefde |
| jij / je | overleefde |
| hij / zij / het | overleefde |
| wij / we | overleefden |
| jullie | overleefden |
| zij / ze | overleefden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overleve |
| jij / je | overleve |
| hij / zij / het | overleve |
| wij / we | overleven |
| jullie | overleven |
| zij / ze | overleven |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overleefde |
| jij / je | overleefde |
| hij / zij / het | overleefde |
| wij / we | overleefden |
| jullie | overleefden |
| zij / ze | overleefden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overleef |
| jullie (archaïsch) | overleeft |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overleven |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overlevend |
Voltooid deelwoord
| — | overleefd |