Conjugation of overjagen
/ˈoːvərˌjaːɣə(n)/iets of iemand ergens overheen laten bewegen Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overjaag |
| jij / je | overjaagt |
| hij / zij / het | overjaagt |
| wij / we | overjagen |
| jullie | overjagen |
| zij / ze | overjagen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | overjoeg |
| jij / je | overjoeg |
| hij / zij / het | overjoeg |
| wij / we | overjoegen |
| jullie | overjoegen |
| zij / ze | overjoegen |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overjage |
| jij / je | overjage |
| hij / zij / het | overjage |
| wij / we | overjagen |
| jullie | overjagen |
| zij / ze | overjagen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overjoege |
| jij / je | overjoege |
| hij / zij / het | overjoege |
| wij / we | overjoegen |
| jullie | overjoegen |
| zij / ze | overjoegen |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overjaag |
| jullie (archaïsch) | overjaagt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overjagen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overjagend |
Voltooid deelwoord
| — | overjaagd |