Conjugation of ontzegelen
/ˌɔntˈzeː.ɣə.lə(n)/openbaar maken wat aanvankelijk hermetisch was afgesloten voor de buitenwereld met behulp van een zegel Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | ontzegel |
| jij / je | ontzegelt |
| hij / zij / het | ontzegelt |
| wij / we | ontzegelen |
| jullie | ontzegelen |
| zij / ze | ontzegelen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | ontzegelde |
| jij / je | ontzegelde |
| hij / zij / het | ontzegelde |
| wij / we | ontzegelden |
| jullie | ontzegelden |
| zij / ze | ontzegelden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | ontzegele |
| jij / je | ontzegele |
| hij / zij / het | ontzegele |
| wij / we | ontzegelen |
| jullie | ontzegelen |
| zij / ze | ontzegelen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | ontzegelde |
| jij / je | ontzegelde |
| hij / zij / het | ontzegelde |
| wij / we | ontzegelden |
| jullie | ontzegelden |
| zij / ze | ontzegelden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | ontzegel |
| jullie (archaïsch) | ontzegelt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | ontzegelen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | ontzegelend |
Voltooid deelwoord
| — | ontzegeld |