HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← ontzadelen — definition

Conjugation of ontzadelen

Regular CEFR B2
ˌɔntˈzaː.də.lə(n)

to unsaddle, to remove the saddle from Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik ontzadel
jij / je ontzadelt
hij / zij / het ontzadelt
wij / we ontzadelen
jullie ontzadelen
zij / ze ontzadelen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik ontzadelde
jij / je ontzadelde
hij / zij / het ontzadelde
wij / we ontzadelden
jullie ontzadelden
zij / ze ontzadelden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik ontzadele
jij / je ontzadele
hij / zij / het ontzadele
wij / we ontzadelen
jullie ontzadelen
zij / ze ontzadelen
Aanvoegende wijs — verleden
ik ontzadelde
jij / je ontzadelde
hij / zij / het ontzadelde
wij / we ontzadelden
jullie ontzadelden
zij / ze ontzadelden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij ontzadel
jullie (archaïsch) ontzadelt

Onbepaalde vormen

Infinitief
ontzadelen
Tegenwoordig deelwoord
ontzadelend
Voltooid deelwoord
ontzadeld

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary