Conjugation of ontwortelen
/ɔntˈʋɔr.tə.lə(n)/losmaken van basis of bestaansgrond, het voortbestaan onmogelijk maken Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | ontwortel |
| jij / je | ontwortelt |
| hij / zij / het | ontwortelt |
| wij / we | ontwortelen |
| jullie | ontwortelen |
| zij / ze | ontwortelen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | ontwortelde |
| jij / je | ontwortelde |
| hij / zij / het | ontwortelde |
| wij / we | ontwortelden |
| jullie | ontwortelden |
| zij / ze | ontwortelden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | ontwortele |
| jij / je | ontwortele |
| hij / zij / het | ontwortele |
| wij / we | ontwortelen |
| jullie | ontwortelen |
| zij / ze | ontwortelen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | ontwortelde |
| jij / je | ontwortelde |
| hij / zij / het | ontwortelde |
| wij / we | ontwortelden |
| jullie | ontwortelden |
| zij / ze | ontwortelden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | ontwortel |
| jullie (archaïsch) | ontwortelt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | ontwortelen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | ontwortelend |
Voltooid deelwoord
| — | ontworteld |