Conjugation of ontweldigen
/ˌɔntˈʋɛl.də.xə(n)/to take away by force, to plunder Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | ontweldig |
| jij / je | ontweldigt |
| hij / zij / het | ontweldigt |
| wij / we | ontweldigen |
| jullie | ontweldigen |
| zij / ze | ontweldigen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | ontweldigde |
| jij / je | ontweldigde |
| hij / zij / het | ontweldigde |
| wij / we | ontweldigden |
| jullie | ontweldigden |
| zij / ze | ontweldigden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | ontweldige |
| jij / je | ontweldige |
| hij / zij / het | ontweldige |
| wij / we | ontweldigen |
| jullie | ontweldigen |
| zij / ze | ontweldigen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | ontweldigde |
| jij / je | ontweldigde |
| hij / zij / het | ontweldigde |
| wij / we | ontweldigden |
| jullie | ontweldigden |
| zij / ze | ontweldigden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | ontweldig |
| jullie (archaïsch) | ontweldigt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | ontweldigen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | ontweldigend |
Voltooid deelwoord
| — | ontweldigd |