Conjugation of onttakelen
/ˌɔntˈtaː.kə.lə(n)/het van een (zeil-)schip verwijderen of verliezen van tuig en uitrusting: masten, laadbomen, staand en lopend want, verlichting enz. Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | onttakel |
| jij / je | onttakelt |
| hij / zij / het | onttakelt |
| wij / we | onttakelen |
| jullie | onttakelen |
| zij / ze | onttakelen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | onttakelde |
| jij / je | onttakelde |
| hij / zij / het | onttakelde |
| wij / we | onttakelden |
| jullie | onttakelden |
| zij / ze | onttakelden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | onttakele |
| jij / je | onttakele |
| hij / zij / het | onttakele |
| wij / we | onttakelen |
| jullie | onttakelen |
| zij / ze | onttakelen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | onttakelde |
| jij / je | onttakelde |
| hij / zij / het | onttakelde |
| wij / we | onttakelden |
| jullie | onttakelden |
| zij / ze | onttakelden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | onttakel |
| jullie (archaïsch) | onttakelt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | onttakelen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | onttakelend |
Voltooid deelwoord
| — | onttakeld |