Conjugation of ontlasten
/ˌɔntˈlɑs.tə(n)/zich ~ zich ontdoen van zijn uitwerpselen Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | ontlast |
| jij / je | ontlast |
| hij / zij / het | ontlast |
| wij / we | ontlasten |
| jullie | ontlasten |
| zij / ze | ontlasten |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | ontlastte |
| jij / je | ontlastte |
| hij / zij / het | ontlastte |
| wij / we | ontlastten |
| jullie | ontlastten |
| zij / ze | ontlastten |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | ontlaste |
| jij / je | ontlaste |
| hij / zij / het | ontlaste |
| wij / we | ontlasten |
| jullie | ontlasten |
| zij / ze | ontlasten |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | ontlastte |
| jij / je | ontlastte |
| hij / zij / het | ontlastte |
| wij / we | ontlastten |
| jullie | ontlastten |
| zij / ze | ontlastten |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | ontlast |
| jullie (archaïsch) | ontlast |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | ontlasten |
Tegenwoordig deelwoord
| — | ontlastend |
Voltooid deelwoord
| — | ontlast |