HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← onteren — definition

Conjugation of onteren

Regular CEFR C2
ɔntˈeːrə(n)

dwingen tot geslachtsgemeenschap buiten het huwelijk Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik onteer
jij / je onteert
hij / zij / het onteert
wij / we onteren
jullie onteren
zij / ze onteren
Verleden tijd (o.v.t.)
ik onteerde
jij / je onteerde
hij / zij / het onteerde
wij / we onteerden
jullie onteerden
zij / ze onteerden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik ontere
jij / je ontere
hij / zij / het ontere
wij / we onteren
jullie onteren
zij / ze onteren
Aanvoegende wijs — verleden
ik onteerde
jij / je onteerde
hij / zij / het onteerde
wij / we onteerden
jullie onteerden
zij / ze onteerden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij onteer
jullie (archaïsch) onteert

Onbepaalde vormen

Infinitief
onteren
Tegenwoordig deelwoord
onterend
Voltooid deelwoord
onteerd

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary