Conjugation of ontdragen
/ˌɔntˈdraː.ɣə(n)/to carry away to safety, to salvage Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | ontdraag |
| jij / je | ontdraagt |
| hij / zij / het | ontdraagt |
| wij / we | ontdragen |
| jullie | ontdragen |
| zij / ze | ontdragen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | ontdroeg |
| jij / je | ontdroeg |
| hij / zij / het | ontdroeg |
| wij / we | ontdroegen |
| jullie | ontdroegen |
| zij / ze | ontdroegen |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | ontdrage |
| jij / je | ontdrage |
| hij / zij / het | ontdrage |
| wij / we | ontdragen |
| jullie | ontdragen |
| zij / ze | ontdragen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | ontdroege |
| jij / je | ontdroege |
| hij / zij / het | ontdroege |
| wij / we | ontdroegen |
| jullie | ontdroegen |
| zij / ze | ontdroegen |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | ontdraag |
| jullie (archaïsch) | ontdraagt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | ontdragen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | ontdragend |
Voltooid deelwoord
| — | ontdragen |