Conjugation of onderscheiden
/ˌɔndərˈsxɛi̯də(n)/iemands bijzonder gedrag erkennen, bijvoorbeeld middels een medaille Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | onderscheid |
| jij / je | onderscheidt |
| hij / zij / het | onderscheidt |
| wij / we | onderscheiden |
| jullie | onderscheiden |
| zij / ze | onderscheiden |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | onderscheidde |
| jij / je | onderscheidde |
| hij / zij / het | onderscheidde |
| wij / we | onderscheidden |
| jullie | onderscheidden |
| zij / ze | onderscheidden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | onderscheide |
| jij / je | onderscheide |
| hij / zij / het | onderscheide |
| wij / we | onderscheiden |
| jullie | onderscheiden |
| zij / ze | onderscheiden |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | onderscheidde |
| jij / je | onderscheidde |
| hij / zij / het | onderscheidde |
| wij / we | onderscheidden |
| jullie | onderscheidden |
| zij / ze | onderscheidden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | onderscheid |
| jullie (archaïsch) | onderscheidt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | onderscheiden |
Tegenwoordig deelwoord
| — | onderscheidend |
Voltooid deelwoord
| — | onderscheiden |