Conjugation of onderschatten
/ˌɔn.dərˈsxɑ.tə(n)/de fout maken iets kleiner, dommer, zwakker of van kleiner belang in te schatten dan het in werkelijkheid blijkt Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | onderschat |
| jij / je | onderschat |
| hij / zij / het | onderschat |
| wij / we | onderschatten |
| jullie | onderschatten |
| zij / ze | onderschatten |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | onderschatte |
| jij / je | onderschatte |
| hij / zij / het | onderschatte |
| wij / we | onderschatten |
| jullie | onderschatten |
| zij / ze | onderschatten |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | onderschatte |
| jij / je | onderschatte |
| hij / zij / het | onderschatte |
| wij / we | onderschatten |
| jullie | onderschatten |
| zij / ze | onderschatten |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | onderschatte |
| jij / je | onderschatte |
| hij / zij / het | onderschatte |
| wij / we | onderschatten |
| jullie | onderschatten |
| zij / ze | onderschatten |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | onderschat |
| jullie (archaïsch) | onderschat |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | onderschatten |
Tegenwoordig deelwoord
| — | onderschattend |
Voltooid deelwoord
| — | onderschat |