Conjugation of onderbreken
/ˌɔn.dərˈbreː.kə(n)/actie ondernemen om een in gang zijnd proces tot staan te brengen Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | onderbreek |
| jij / je | onderbreekt |
| hij / zij / het | onderbreekt |
| wij / we | onderbreken |
| jullie | onderbreken |
| zij / ze | onderbreken |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | onderbrak |
| jij / je | onderbrak |
| hij / zij / het | onderbrak |
| wij / we | onderbraken |
| jullie | onderbraken |
| zij / ze | onderbraken |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | onderbreke |
| jij / je | onderbreke |
| hij / zij / het | onderbreke |
| wij / we | onderbreken |
| jullie | onderbreken |
| zij / ze | onderbreken |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | onderbrake |
| jij / je | onderbrake |
| hij / zij / het | onderbrake |
| wij / we | onderbraken |
| jullie | onderbraken |
| zij / ze | onderbraken |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | onderbreek |
| jullie (archaïsch) | onderbreekt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | onderbreken |
Tegenwoordig deelwoord
| — | onderbrekend |
Voltooid deelwoord
| — | onderbroken |