Conjugation of marineren
/ˌmaː.riˈneː.rə(n)/in een marinade van azijn of wijn en kruiden leggen van sommige vlees en vissoorten alvorens verder te bewerken Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | marineer |
| jij / je | marineert |
| hij / zij / het | marineert |
| wij / we | marineren |
| jullie | marineren |
| zij / ze | marineren |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | marineerde |
| jij / je | marineerde |
| hij / zij / het | marineerde |
| wij / we | marineerden |
| jullie | marineerden |
| zij / ze | marineerden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | marinere |
| jij / je | marinere |
| hij / zij / het | marinere |
| wij / we | marineren |
| jullie | marineren |
| zij / ze | marineren |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | marineerde |
| jij / je | marineerde |
| hij / zij / het | marineerde |
| wij / we | marineerden |
| jullie | marineerden |
| zij / ze | marineerden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | marineer |
| jullie (archaïsch) | marineert |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | marineren |
Tegenwoordig deelwoord
| — | marinerend |
Voltooid deelwoord
| — | gemarineerd |