HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← manken — definition

Conjugation of manken

Regular CEFR B1
ˈmɑŋkə(n)

moeizaam lopen door een aandoening aan één been Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik mank
jij / je mankt
hij / zij / het mankt
wij / we manken
jullie manken
zij / ze manken
Verleden tijd (o.v.t.)
ik mankte
jij / je mankte
hij / zij / het mankte
wij / we mankten
jullie mankten
zij / ze mankten

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik manke
jij / je manke
hij / zij / het manke
wij / we manken
jullie manken
zij / ze manken
Aanvoegende wijs — verleden
ik mankte
jij / je mankte
hij / zij / het mankte
wij / we mankten
jullie mankten
zij / ze mankten

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij mank
jullie (archaïsch) mankt

Onbepaalde vormen

Infinitief
manken
Tegenwoordig deelwoord
mankend
Voltooid deelwoord
gemankt

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary