Conjugation of infantiliseren
/ˌɪn.fɑn.ti.liˈzeː.rə(n)/volwassen persoon benaderen alsof hij een klein kind is Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | infantiliseer |
| jij / je | infantiliseert |
| hij / zij / het | infantiliseert |
| wij / we | infantiliseren |
| jullie | infantiliseren |
| zij / ze | infantiliseren |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | infantiliseerde |
| jij / je | infantiliseerde |
| hij / zij / het | infantiliseerde |
| wij / we | infantiliseerden |
| jullie | infantiliseerden |
| zij / ze | infantiliseerden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | infantilisere |
| jij / je | infantilisere |
| hij / zij / het | infantilisere |
| wij / we | infantiliseren |
| jullie | infantiliseren |
| zij / ze | infantiliseren |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | infantiliseerde |
| jij / je | infantiliseerde |
| hij / zij / het | infantiliseerde |
| wij / we | infantiliseerden |
| jullie | infantiliseerden |
| zij / ze | infantiliseerden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | infantiliseer |
| jullie (archaïsch) | infantiliseert |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | infantiliseren |
Tegenwoordig deelwoord
| — | infantiliserend |
Voltooid deelwoord
| — | geïnfantiliseerd |