HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← infecteren — definition

Conjugation of infecteren

Regular CEFR C2
ɪn.fɛkˈteː.rə(n)

aansteken, besmetten Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik infecteer
jij / je infecteert
hij / zij / het infecteert
wij / we infecteren
jullie infecteren
zij / ze infecteren
Verleden tijd (o.v.t.)
ik infecteerde
jij / je infecteerde
hij / zij / het infecteerde
wij / we infecteerden
jullie infecteerden
zij / ze infecteerden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik infectere
jij / je infectere
hij / zij / het infectere
wij / we infecteren
jullie infecteren
zij / ze infecteren
Aanvoegende wijs — verleden
ik infecteerde
jij / je infecteerde
hij / zij / het infecteerde
wij / we infecteerden
jullie infecteerden
zij / ze infecteerden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij infecteer
jullie (archaïsch) infecteert

Onbepaalde vormen

Infinitief
infecteren
Tegenwoordig deelwoord
infecterend
Voltooid deelwoord
geïnfecteerd

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary