HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← impliceren — definition

Conjugation of impliceren

Regular CEFR C2

stilzwijgend ten gevolge hebben Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik impliceer
jij / je impliceert
hij / zij / het impliceert
wij / we impliceren
jullie impliceren
zij / ze impliceren
Verleden tijd (o.v.t.)
ik impliceerde
jij / je impliceerde
hij / zij / het impliceerde
wij / we impliceerden
jullie impliceerden
zij / ze impliceerden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik implicere
jij / je implicere
hij / zij / het implicere
wij / we impliceren
jullie impliceren
zij / ze impliceren
Aanvoegende wijs — verleden
ik impliceerde
jij / je impliceerde
hij / zij / het impliceerde
wij / we impliceerden
jullie impliceerden
zij / ze impliceerden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij impliceer
jullie (archaïsch) impliceert

Onbepaalde vormen

Infinitief
impliceren
Tegenwoordig deelwoord
implicerend
Voltooid deelwoord
geïmpliceerd

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary