Conjugation of fabriceren
/faː.briˈseː.rə(n)/een product door middel van werktuigen bewerken of vervaardigen Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | fabriceer |
| jij / je | fabriceert |
| hij / zij / het | fabriceert |
| wij / we | fabriceren |
| jullie | fabriceren |
| zij / ze | fabriceren |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | fabriceerde |
| jij / je | fabriceerde |
| hij / zij / het | fabriceerde |
| wij / we | fabriceerden |
| jullie | fabriceerden |
| zij / ze | fabriceerden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | fabricere |
| jij / je | fabricere |
| hij / zij / het | fabricere |
| wij / we | fabriceren |
| jullie | fabriceren |
| zij / ze | fabriceren |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | fabriceerde |
| jij / je | fabriceerde |
| hij / zij / het | fabriceerde |
| wij / we | fabriceerden |
| jullie | fabriceerden |
| zij / ze | fabriceerden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | fabriceer |
| jullie (archaïsch) | fabriceert |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | fabriceren |
Tegenwoordig deelwoord
| — | fabricerend |
Voltooid deelwoord
| — | gefabriceerd |