HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← bruien — definition

Conjugation of bruien

Regular CEFR B1
ˈbrœy̯.ə(n)

to tumble, to smack down, to fall Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik brui
jij / je bruit
hij / zij / het bruit
wij / we bruien
jullie bruien
zij / ze bruien
Verleden tijd (o.v.t.)
ik bruide
jij / je bruide
hij / zij / het bruide
wij / we bruiden
jullie bruiden
zij / ze bruiden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik bruie
jij / je bruie
hij / zij / het bruie
wij / we bruien
jullie bruien
zij / ze bruien
Aanvoegende wijs — verleden
ik bruide
jij / je bruide
hij / zij / het bruide
wij / we bruiden
jullie bruiden
zij / ze bruiden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij brui
jullie (archaïsch) bruit

Onbepaalde vormen

Infinitief
bruien
Tegenwoordig deelwoord
bruiend
Voltooid deelwoord
gebruid

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary