HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← bruiken — definición

Conjugation of bruiken

Regular CEFR B1
/ˈbrœy̯kə(n)/

zich bedienen van, gebruiken Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik bruik
jij / je bruikt
hij / zij / het bruikt
wij / we bruiken
jullie bruiken
zij / ze bruiken
Verleden tijd (o.v.t.)
ik bruikte
jij / je bruikte
hij / zij / het bruikte
wij / we bruikten
jullie bruikten
zij / ze bruikten

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik bruike
jij / je bruike
hij / zij / het bruike
wij / we bruiken
jullie bruiken
zij / ze bruiken
Aanvoegende wijs — verleden
ik bruikte
jij / je bruikte
hij / zij / het bruikte
wij / we bruikten
jullie bruikten
zij / ze bruikten

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij bruik
jullie (archaïsch) bruikt

Onbepaalde vormen

Infinitief
bruiken
Tegenwoordig deelwoord
bruikend
Voltooid deelwoord
gebruikt

Más conjugaciones

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary