HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← branden — definition

Conjugation of branden

Regular CEFR B1
ˈbrɑndə(n)

langzaam aan vuur blootstellen (van cacao- en koffiebonen, noten, e.d.) Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik brand
jij / je brandt
hij / zij / het brandt
wij / we branden
jullie branden
zij / ze branden
Verleden tijd (o.v.t.)
ik brandde
jij / je brandde
hij / zij / het brandde
wij / we brandden
jullie brandden
zij / ze brandden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik brande
jij / je brande
hij / zij / het brande
wij / we branden
jullie branden
zij / ze branden
Aanvoegende wijs — verleden
ik brandde
jij / je brandde
hij / zij / het brandde
wij / we brandden
jullie brandden
zij / ze brandden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij brand
jullie (archaïsch) brandt

Onbepaalde vormen

Infinitief
branden
Tegenwoordig deelwoord
brandend
Voltooid deelwoord
gebrand

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary