HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← bezeren — definition

Conjugation of bezeren

Regular CEFR C2
bəˈzeːrə(n)

letsel toebrengen aan een lichaamsdeel Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik bezeer
jij / je bezeert
hij / zij / het bezeert
wij / we bezeren
jullie bezeren
zij / ze bezeren
Verleden tijd (o.v.t.)
ik bezeerde
jij / je bezeerde
hij / zij / het bezeerde
wij / we bezeerden
jullie bezeerden
zij / ze bezeerden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik bezere
jij / je bezere
hij / zij / het bezere
wij / we bezeren
jullie bezeren
zij / ze bezeren
Aanvoegende wijs — verleden
ik bezeerde
jij / je bezeerde
hij / zij / het bezeerde
wij / we bezeerden
jullie bezeerden
zij / ze bezeerden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij bezeer
jullie (archaïsch) bezeert

Onbepaalde vormen

Infinitief
bezeren
Tegenwoordig deelwoord
bezerend
Voltooid deelwoord
bezeerd

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary