HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← bezegelen — definition

Conjugation of bezegelen

Regular CEFR C2
bəˈzeːɣələ(n)

een zegel aanbrengen op Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik bezegel
jij / je bezegelt
hij / zij / het bezegelt
wij / we bezegelen
jullie bezegelen
zij / ze bezegelen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik bezegelde
jij / je bezegelde
hij / zij / het bezegelde
wij / we bezegelden
jullie bezegelden
zij / ze bezegelden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik bezegele
jij / je bezegele
hij / zij / het bezegele
wij / we bezegelen
jullie bezegelen
zij / ze bezegelen
Aanvoegende wijs — verleden
ik bezegelde
jij / je bezegelde
hij / zij / het bezegelde
wij / we bezegelden
jullie bezegelden
zij / ze bezegelden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij bezegel
jullie (archaïsch) bezegelt

Onbepaalde vormen

Infinitief
bezegelen
Tegenwoordig deelwoord
bezegelend
Voltooid deelwoord
bezegeld

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary