HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← beteugelen — definición

Conjugation of beteugelen

Regular CEFR C2
/bəˈtøːɣələ(n)/

in bedwang houden, intomen, bedwingen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik beteugel
jij / je beteugelt
hij / zij / het beteugelt
wij / we beteugelen
jullie beteugelen
zij / ze beteugelen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik beteugelde
jij / je beteugelde
hij / zij / het beteugelde
wij / we beteugelden
jullie beteugelden
zij / ze beteugelden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik beteugele
jij / je beteugele
hij / zij / het beteugele
wij / we beteugelen
jullie beteugelen
zij / ze beteugelen
Aanvoegende wijs — verleden
ik beteugelde
jij / je beteugelde
hij / zij / het beteugelde
wij / we beteugelden
jullie beteugelden
zij / ze beteugelden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij beteugel
jullie (archaïsch) beteugelt

Onbepaalde vormen

Infinitief
beteugelen
Tegenwoordig deelwoord
beteugelend
Voltooid deelwoord
beteugeld

Más conjugaciones

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary