HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← benamen — definition

Conjugation of benamen

Regular CEFR B1
bəˈnaː.mə(n)

meervoud verleden tijd van benemen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik benaam
jij / je benaamt
hij / zij / het benaamt
wij / we benamen
jullie benamen
zij / ze benamen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik benaamde
jij / je benaamde
hij / zij / het benaamde
wij / we benaamden
jullie benaamden
zij / ze benaamden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik bename
jij / je bename
hij / zij / het bename
wij / we benamen
jullie benamen
zij / ze benamen
Aanvoegende wijs — verleden
ik benaamde
jij / je benaamde
hij / zij / het benaamde
wij / we benaamden
jullie benaamden
zij / ze benaamden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij benaam
jullie (archaïsch) benaamt

Onbepaalde vormen

Infinitief
benamen
Tegenwoordig deelwoord
benamend
Voltooid deelwoord
benaamd

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary