HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← belezen — definition

Conjugation of belezen

Regular CEFR C2
bəˈleːzə(n)

voltooid deelwoord van belezen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik belees
jij / je beleest
hij / zij / het beleest
wij / we belezen
jullie belezen
zij / ze belezen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik belas
jij / je belas
hij / zij / het belas
wij / we belazen
jullie belazen
zij / ze belazen

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik beleze
jij / je beleze
hij / zij / het beleze
wij / we belezen
jullie belezen
zij / ze belezen
Aanvoegende wijs — verleden
ik belaze
jij / je belaze
hij / zij / het belaze
wij / we belazen
jullie belazen
zij / ze belazen

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij belees
jullie (archaïsch) beleest

Onbepaalde vormen

Infinitief
belezen
Tegenwoordig deelwoord
belezend
Voltooid deelwoord
belezen

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary