HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← belachen — definition

Conjugation of belachen

Regular CEFR B2
bəˈlɑ.xə(n)

to laugh at, to belaugh (typically mocking) Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik belach
jij / je belacht
hij / zij / het belacht
wij / we belachen
jullie belachen
zij / ze belachen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik belachte
jij / je belachte
hij / zij / het belachte
wij / we belachten
jullie belachten
zij / ze belachten

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik belache
jij / je belache
hij / zij / het belache
wij / we belachen
jullie belachen
zij / ze belachen
Aanvoegende wijs — verleden
ik belachte
jij / je belachte
hij / zij / het belachte
wij / we belachten
jullie belachten
zij / ze belachten

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij belach
jullie (archaïsch) belacht

Onbepaalde vormen

Infinitief
belachen
Tegenwoordig deelwoord
belachend
Voltooid deelwoord
belachen

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary