HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← babbelen — definition

Conjugation of babbelen

Regular CEFR C1
ˈbɑbələ(n)

gezellig praten over zaken van weinig belang Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik babbel
jij / je babbelt
hij / zij / het babbelt
wij / we babbelen
jullie babbelen
zij / ze babbelen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik babbelde
jij / je babbelde
hij / zij / het babbelde
wij / we babbelden
jullie babbelden
zij / ze babbelden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik babbele
jij / je babbele
hij / zij / het babbele
wij / we babbelen
jullie babbelen
zij / ze babbelen
Aanvoegende wijs — verleden
ik babbelde
jij / je babbelde
hij / zij / het babbelde
wij / we babbelden
jullie babbelden
zij / ze babbelden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij babbel
jullie (archaïsch) babbelt

Onbepaalde vormen

Infinitief
babbelen
Tegenwoordig deelwoord
babbelend
Voltooid deelwoord
gebabbeld

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary