Conjugation of arroseren
/ɑroːˈzeːrə(n)/bedruipen van ingrediënten tijdens bakken, braden of grillen; meestal met vet of olie Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | arroseer |
| jij / je | arroseert |
| hij / zij / het | arroseert |
| wij / we | arroseren |
| jullie | arroseren |
| zij / ze | arroseren |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | arroseerde |
| jij / je | arroseerde |
| hij / zij / het | arroseerde |
| wij / we | arroseerden |
| jullie | arroseerden |
| zij / ze | arroseerden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | arrosere |
| jij / je | arrosere |
| hij / zij / het | arrosere |
| wij / we | arroseren |
| jullie | arroseren |
| zij / ze | arroseren |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | arroseerde |
| jij / je | arroseerde |
| hij / zij / het | arroseerde |
| wij / we | arroseerden |
| jullie | arroseerden |
| zij / ze | arroseerden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | arroseer |
| jullie (archaïsch) | arroseert |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | arroseren |
Tegenwoordig deelwoord
| — | arroserend |
Voltooid deelwoord
| — | gearroseerd |