HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← abbreviëren — definition

Conjugation of abbreviëren

Regular CEFR C1

afkorten, verkort schrijven Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik abbrevieer
jij / je abbrevieert
hij / zij / het abbrevieert
wij / we abbreviëren
jullie abbreviëren
zij / ze abbreviëren
Verleden tijd (o.v.t.)
ik abbrevieerde
jij / je abbrevieerde
hij / zij / het abbrevieerde
wij / we abbrevieerden
jullie abbrevieerden
zij / ze abbrevieerden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik abbreviëre
jij / je abbreviëre
hij / zij / het abbreviëre
wij / we abbreviëren
jullie abbreviëren
zij / ze abbreviëren
Aanvoegende wijs — verleden
ik abbrevieerde
jij / je abbrevieerde
hij / zij / het abbrevieerde
wij / we abbrevieerden
jullie abbrevieerden
zij / ze abbrevieerden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij abbrevieer
jullie (archaïsch) abbrevieert

Onbepaalde vormen

Infinitief
abbreviëren
Tegenwoordig deelwoord
abbreviërend
Voltooid deelwoord
geabbrevieerd

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary