HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← abdiceren — definición

Conjugation of abdiceren

Regular CEFR B2
/ˌɑpdiˈseːrə(n)/

afstand doen van de troon, aftreden als vorst Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik abdiceer
jij / je abdiceert
hij / zij / het abdiceert
wij / we abdiceren
jullie abdiceren
zij / ze abdiceren
Verleden tijd (o.v.t.)
ik abdiceerde
jij / je abdiceerde
hij / zij / het abdiceerde
wij / we abdiceerden
jullie abdiceerden
zij / ze abdiceerden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik abdicere
jij / je abdicere
hij / zij / het abdicere
wij / we abdiceren
jullie abdiceren
zij / ze abdiceren
Aanvoegende wijs — verleden
ik abdiceerde
jij / je abdiceerde
hij / zij / het abdiceerde
wij / we abdiceerden
jullie abdiceerden
zij / ze abdiceerden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij abdiceer
jullie (archaïsch) abdiceert

Onbepaalde vormen

Infinitief
abdiceren
Tegenwoordig deelwoord
abdicerend
Voltooid deelwoord
geabdiceerd

Más conjugaciones

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary