HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← zwengelen — definición

Conjugation of zwengelen

Regular CEFR B2
/ˈzʋɛ.ŋə.lə(n)/

braken van vlas, d.w.z. de aanhangende houtdeeltjes met een zwengel verwijderen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik zwengel
jij / je zwengelt
hij / zij / het zwengelt
wij / we zwengelen
jullie zwengelen
zij / ze zwengelen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik zwengelde
jij / je zwengelde
hij / zij / het zwengelde
wij / we zwengelden
jullie zwengelden
zij / ze zwengelden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik zwengele
jij / je zwengele
hij / zij / het zwengele
wij / we zwengelen
jullie zwengelen
zij / ze zwengelen
Aanvoegende wijs — verleden
ik zwengelde
jij / je zwengelde
hij / zij / het zwengelde
wij / we zwengelden
jullie zwengelden
zij / ze zwengelden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij zwengel
jullie (archaïsch) zwengelt

Onbepaalde vormen

Infinitief
zwengelen
Tegenwoordig deelwoord
zwengelend
Voltooid deelwoord
gezwengeld

Más conjugaciones

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary