HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← zoomen — definition

Conjugation of zoomen

Regular CEFR B1
ˈzuː.mə(n)

de mate van vergroting van een beeld veranderen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik zoom
jij / je zoomt
hij / zij / het zoomt
wij / we zoomen
jullie zoomen
zij / ze zoomen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik zoomde
jij / je zoomde
hij / zij / het zoomde
wij / we zoomden
jullie zoomden
zij / ze zoomden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik zoome
jij / je zoome
hij / zij / het zoome
wij / we zoomen
jullie zoomen
zij / ze zoomen
Aanvoegende wijs — verleden
ik zoomde
jij / je zoomde
hij / zij / het zoomde
wij / we zoomden
jullie zoomden
zij / ze zoomden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij zoom
jullie (archaïsch) zoomt

Onbepaalde vormen

Infinitief
zoomen
Tegenwoordig deelwoord
zoomend
Voltooid deelwoord
gezoomd

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary