Conjugation of zondigen
/ˈzɔn.də.ɣə(n)/het overtreden van een religieuze wet Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | zondig |
| jij / je | zondigt |
| hij / zij / het | zondigt |
| wij / we | zondigen |
| jullie | zondigen |
| zij / ze | zondigen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | zondigde |
| jij / je | zondigde |
| hij / zij / het | zondigde |
| wij / we | zondigden |
| jullie | zondigden |
| zij / ze | zondigden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | zondige |
| jij / je | zondige |
| hij / zij / het | zondige |
| wij / we | zondigen |
| jullie | zondigen |
| zij / ze | zondigen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | zondigde |
| jij / je | zondigde |
| hij / zij / het | zondigde |
| wij / we | zondigden |
| jullie | zondigden |
| zij / ze | zondigden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | zondig |
| jullie (archaïsch) | zondigt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | zondigen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | zondigend |
Voltooid deelwoord
| — | gezondigd |