HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← zijgen — definition

Conjugation of zijgen

Regular CEFR B1
ˈzɛi̯.ɣə(n)

naar beneden zakken, zich laten vallen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik zijg
jij / je zijgt
hij / zij / het zijgt
wij / we zijgen
jullie zijgen
zij / ze zijgen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik zeeg
jij / je zeeg
hij / zij / het zeeg
wij / we zegen
jullie zegen
zij / ze zegen

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik zijge
jij / je zijge
hij / zij / het zijge
wij / we zijgen
jullie zijgen
zij / ze zijgen
Aanvoegende wijs — verleden
ik zege
jij / je zege
hij / zij / het zege
wij / we zegen
jullie zegen
zij / ze zegen

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij zijg
jullie (archaïsch) zijgt

Onbepaalde vormen

Infinitief
zijgen
Tegenwoordig deelwoord
zijgend
Voltooid deelwoord
gezegen

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary