HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← zetelen — definition

Conjugation of zetelen

Regular CEFR B1
ˈzeː.tə.lə(n)

als parlementslid werken Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik zetel
jij / je zetelt
hij / zij / het zetelt
wij / we zetelen
jullie zetelen
zij / ze zetelen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik zetelde
jij / je zetelde
hij / zij / het zetelde
wij / we zetelden
jullie zetelden
zij / ze zetelden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik zetele
jij / je zetele
hij / zij / het zetele
wij / we zetelen
jullie zetelen
zij / ze zetelen
Aanvoegende wijs — verleden
ik zetelde
jij / je zetelde
hij / zij / het zetelde
wij / we zetelden
jullie zetelden
zij / ze zetelden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij zetel
jullie (archaïsch) zetelt

Onbepaalde vormen

Infinitief
zetelen
Tegenwoordig deelwoord
zetelend
Voltooid deelwoord
gezeteld

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary