HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← zepen — definition

Conjugation of zepen

Regular CEFR B1
ˈzeː.pə(n)

meervoud verleden tijd van zijpen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik zeep
jij / je zeept
hij / zij / het zeept
wij / we zepen
jullie zepen
zij / ze zepen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik zeepte
jij / je zeepte
hij / zij / het zeepte
wij / we zeepten
jullie zeepten
zij / ze zeepten

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik zepe
jij / je zepe
hij / zij / het zepe
wij / we zepen
jullie zepen
zij / ze zepen
Aanvoegende wijs — verleden
ik zeepte
jij / je zeepte
hij / zij / het zeepte
wij / we zeepten
jullie zeepten
zij / ze zeepten

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij zeep
jullie (archaïsch) zeept

Onbepaalde vormen

Infinitief
zepen
Tegenwoordig deelwoord
zepend
Voltooid deelwoord
gezeept

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary