HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← zegelen — definición

Conjugation of zegelen

Regular CEFR B1
/ˈzeː.ɣə.lən/

van een zegel of stempel voorzien Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik zegel
jij / je zegelt
hij / zij / het zegelt
wij / we zegelen
jullie zegelen
zij / ze zegelen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik zegelde
jij / je zegelde
hij / zij / het zegelde
wij / we zegelden
jullie zegelden
zij / ze zegelden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik zegele
jij / je zegele
hij / zij / het zegele
wij / we zegelen
jullie zegelen
zij / ze zegelen
Aanvoegende wijs — verleden
ik zegelde
jij / je zegelde
hij / zij / het zegelde
wij / we zegelden
jullie zegelden
zij / ze zegelden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij zegel
jullie (archaïsch) zegelt

Onbepaalde vormen

Infinitief
zegelen
Tegenwoordig deelwoord
zegelend
Voltooid deelwoord
gezegeld

Más conjugaciones

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary