HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← zagen — definition

Conjugation of zagen

Regular CEFR A2
ˈzaːɣə(n)

in stukken delen door middel van een zaag Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik zaag
jij / je zaagt
hij / zij / het zaagt
wij / we zagen
jullie zagen
zij / ze zagen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik zaagde
jij / je zaagde
hij / zij / het zaagde
wij / we zaagden
jullie zaagden
zij / ze zaagden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik zage
jij / je zage
hij / zij / het zage
wij / we zagen
jullie zagen
zij / ze zagen
Aanvoegende wijs — verleden
ik zaagde
jij / je zaagde
hij / zij / het zaagde
wij / we zaagden
jullie zaagden
zij / ze zaagden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij zaag
jullie (archaïsch) zaagt

Onbepaalde vormen

Infinitief
zagen
Tegenwoordig deelwoord
zagend
Voltooid deelwoord
gezaagd

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary