HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← winkelen — definition

Conjugation of winkelen

Regular CEFR B2
ˈʋɪŋkələ(n)

van winkel tot winkel gaan en inkopen doen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik winkel
jij / je winkelt
hij / zij / het winkelt
wij / we winkelen
jullie winkelen
zij / ze winkelen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik winkelde
jij / je winkelde
hij / zij / het winkelde
wij / we winkelden
jullie winkelden
zij / ze winkelden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik winkele
jij / je winkele
hij / zij / het winkele
wij / we winkelen
jullie winkelen
zij / ze winkelen
Aanvoegende wijs — verleden
ik winkelde
jij / je winkelde
hij / zij / het winkelde
wij / we winkelden
jullie winkelden
zij / ze winkelden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij winkel
jullie (archaïsch) winkelt

Onbepaalde vormen

Infinitief
winkelen
Tegenwoordig deelwoord
winkelend
Voltooid deelwoord
gewinkeld

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary