Conjugation of wijzigen
/ˈwɛizəɣə(n)/zodanig aan iets werken dat het anders wordt Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | wijzig |
| jij / je | wijzigt |
| hij / zij / het | wijzigt |
| wij / we | wijzigen |
| jullie | wijzigen |
| zij / ze | wijzigen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | wijzigde |
| jij / je | wijzigde |
| hij / zij / het | wijzigde |
| wij / we | wijzigden |
| jullie | wijzigden |
| zij / ze | wijzigden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | wijzige |
| jij / je | wijzige |
| hij / zij / het | wijzige |
| wij / we | wijzigen |
| jullie | wijzigen |
| zij / ze | wijzigen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | wijzigde |
| jij / je | wijzigde |
| hij / zij / het | wijzigde |
| wij / we | wijzigden |
| jullie | wijzigden |
| zij / ze | wijzigden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | wijzig |
| jullie (archaïsch) | wijzigt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | wijzigen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | wijzigend |
Voltooid deelwoord
| — | gewijzigd |