HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← wieberen — definition

Conjugation of wieberen

Regular CEFR B2
ʋibərə(n)

weggaan Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik wieber
jij / je wiebert
hij / zij / het wiebert
wij / we wieberen
jullie wieberen
zij / ze wieberen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik wieberde
jij / je wieberde
hij / zij / het wieberde
wij / we wieberden
jullie wieberden
zij / ze wieberden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik wiebere
jij / je wiebere
hij / zij / het wiebere
wij / we wieberen
jullie wieberen
zij / ze wieberen
Aanvoegende wijs — verleden
ik wieberde
jij / je wieberde
hij / zij / het wieberde
wij / we wieberden
jullie wieberden
zij / ze wieberden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij wieber
jullie (archaïsch) wiebert

Onbepaalde vormen

Infinitief
wieberen
Tegenwoordig deelwoord
wieberend
Voltooid deelwoord
gewieberd

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary