HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← weken — definition

Conjugation of weken

Regular CEFR A2
ʋeː.kə(n)

door langdurig in een vloeistof te liggen zacht, plooibaar of beter wasbaar worden Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik week
jij / je weekt
hij / zij / het weekt
wij / we weken
jullie weken
zij / ze weken
Verleden tijd (o.v.t.)
ik weekte
jij / je weekte
hij / zij / het weekte
wij / we weekten
jullie weekten
zij / ze weekten

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik weke
jij / je weke
hij / zij / het weke
wij / we weken
jullie weken
zij / ze weken
Aanvoegende wijs — verleden
ik weekte
jij / je weekte
hij / zij / het weekte
wij / we weekten
jullie weekten
zij / ze weekten

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij week
jullie (archaïsch) weekt

Onbepaalde vormen

Infinitief
weken
Tegenwoordig deelwoord
wekend
Voltooid deelwoord
geweekt

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary