HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← waxen — definition

Conjugation of waxen

Regular CEFR C2
ˈʋɑk.sə(n)

onharen met behulp van gesmolten was die na afkoelen vast is geworden; de haren worden met wortel en al verwijderd Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik wax
jij / je waxt
hij / zij / het waxt
wij / we waxen
jullie waxen
zij / ze waxen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik waxte
jij / je waxte
hij / zij / het waxte
wij / we waxten
jullie waxten
zij / ze waxten

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik waxe
jij / je waxe
hij / zij / het waxe
wij / we waxen
jullie waxen
zij / ze waxen
Aanvoegende wijs — verleden
ik waxte
jij / je waxte
hij / zij / het waxte
wij / we waxten
jullie waxten
zij / ze waxten

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij wax
jullie (archaïsch) waxt

Onbepaalde vormen

Infinitief
waxen
Tegenwoordig deelwoord
waxend
Voltooid deelwoord
gewaxt

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary