HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← wasschen — definition

Conjugation of wasschen

Regular CEFR B2

verouderde spelling of vorm van wassen tot 1935/46 Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik wasch
jij / je wascht
hij / zij / het wascht
wij / we wasschen
jullie wasschen
zij / ze wasschen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik waschte
jij / je waschte
hij / zij / het waschte
wij / we waschten
jullie waschten
zij / ze waschten

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik wassche
jij / je wassche
hij / zij / het wassche
wij / we wasschen
jullie wasschen
zij / ze wasschen
Aanvoegende wijs — verleden
ik waschte
jij / je waschte
hij / zij / het waschte
wij / we waschten
jullie waschten
zij / ze waschten

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij wasch
jullie (archaïsch) wascht

Onbepaalde vormen

Infinitief
wasschen
Tegenwoordig deelwoord
wasschend
Voltooid deelwoord
gewasschen

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary