HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← wankelen — definición

Conjugation of wankelen

Regular CEFR C2
/ˈwɑŋkələ(n)/

onvast op de voeten staan, dreigen te vallen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik wankel
jij / je wankelt
hij / zij / het wankelt
wij / we wankelen
jullie wankelen
zij / ze wankelen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik wankelde
jij / je wankelde
hij / zij / het wankelde
wij / we wankelden
jullie wankelden
zij / ze wankelden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik wankele
jij / je wankele
hij / zij / het wankele
wij / we wankelen
jullie wankelen
zij / ze wankelen
Aanvoegende wijs — verleden
ik wankelde
jij / je wankelde
hij / zij / het wankelde
wij / we wankelden
jullie wankelden
zij / ze wankelden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij wankel
jullie (archaïsch) wankelt

Onbepaalde vormen

Infinitief
wankelen
Tegenwoordig deelwoord
wankelend
Voltooid deelwoord
gewankeld

Más conjugaciones

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary